Wat is peuterpuberteit?De een noemt het de "Ik-ben-2-dus-Ik-zeg-Nee fase", de ander noemt het "terrible two’s", wij noemen het hier peuterpuberteit. Puberteit is kort samengevat een fase waarin een kind grenzen verkent, zich losmaakt en op eigen benen probeert te staan (een eigen identiteit zoekt).In feite maakt je kindje rond 2 jaar zo’n soort fase door. Hij krijgt een eigen willetje en laat dat ook gelden.
Hij merkt dat sommige dingen niet mogen, of geaccepteerd worden door zijn omgeving. Hij merkt dat hij een reactie krijgt op zijn gedrag. Je kind is koppig en heeft regelmatig driftbuien. Het aantal buien neemt af zodra je peuter beter kan praten. Rond 4 jaar is hij heel wat rustiger. Deze fase is positief. Je peuter wordt zelfstandig genoeg om de wereld alleen tegemoet te treden. Hieronder volgen verschillende tips over hoe om te gaan met driftbuien. Natuurlijk is ieder kindje anders van aard en je moet uitvinden wat bij jouw kindje het meest effectief is.
Wat doe ik als mijn peuter koppig is?Als de koppige momenten niet te hevig zijn, kan je hem* het beste negeren. Vaak draait hij dan vanzelf weer bij. Wanneer je kind echt te ver gaat, maak dat dan meteen duidelijk. Blijf consequent en duidelijk, nee is nee. Geef je kind de ruimte om alles zelf te proberen: eten, zijn broekje optrekken, etcetera. Moedig zijn pogingen aan. Dat geeft het kind zelfvertrouwen. Tracht altijd de focus van je aandacht te leggen bij het positief stimuleren (prijs het kind wanneer het iets goed doet) en niet de nadruk te leggen op de negatieve dingen die het kind doet. Leidt het kind af of probeer negatief gedrag om te zetten in positief gedrag, bijvoorbeeld wanneer je kind met speelgoed gooit, zeg dan bijvoorbeeld, ach, het beertje wil niet op de grond, het wil graag voor het raam zitten. Wanneer hij het opraapt en wegzet voor het raam, prijs hem dan. Doe het eventueel samen met je kind, wanneer het protesteert.
Wanneer of waarom wordt mijn peuter driftig?Als hij iets niet mag of kan, moe of ziek is. Ook bij een onbekende situatie of te hoge eisen. Je peuter kan zijn gevoelens nog niet uitleggen en wordt hier heel boos om. Je merkt het onmiddellijk: Hij laat zich op de grond vallen, slaat met zijn armen en/of schopt met zijn benen, of bonkt met zijn hoofd op de grond.
Wat doe ik als mijn peuter driftig is?
•
Tijdens de bui is je kind moeilijk te kalmeren. Zorg dat hij zichzelf of zijn omgeving niet beschadigt. Bij een driftbui raakt je kind overspoeld door emotie: woede. Hij heeft geen beheersing over zichzelf en doet dingen die hij anders nooit zou doen. Dat is een angstige ervaring. Na afloop kan hij helemaal ontredderd zijn en zich gedragen alsof hij weer een beetje baby is.
•
Laat hem rustig uitrazen. Bij sommige kinderen werkt beetpakken kalmerend, maar de meeste worden er nog razender van. Andere kindjes kalmeren weer beter door ze even in afzondering te plaatsen.
•
Schopt hij, slaat hij of gaat hij dingen kapotmaken, stel dan duidelijke grenzen. Geef zeker niet toe. Dat geeft je kind de indruk dat hij met een driftbui iets kan bereiken. Maak duidelijk dat hij aanvaard wordt, maar niet zijn boosheid.
•
Schud je kind nooit door elkaar om het te kalmeren. Dit helpt niet en kan zelfs gevaarlijk zijn.
•
Na afloop troosten. In zijn ontredderde toestand kan hij wel wat troost gebruiken, ook al was de aanleiding tot de driftbui een conflict met jou.
Wat moet ik NIET doen als mijn peuter een driftbui heeft?
•
Het is soms moeilijk om je te beheersen want woede is besmettelijk. Maar wordt zelf niet kwaad en ga niet schreeuwen. Dat zal hem alleen nog woedender te maken.
•
Ga niet redeneren of tegensputteren. Drift is niet vatbaar voor rede.
•
Niet straffen, of juist belonen door hem zijn zin te geven. Je moet voorkomen dat een driftbui kan gaan dienen om aandacht te krijgen.
•
Wanneer je in omstandigheden verkeert dat de driftbui je in verlegenheid kan brengen, ga hem dan niet extra voorzichtig behandelen. Daardoor plaats je je kindje in een machtspositie. Dat is beslist niet goed voor jou of voor hem. Bovendien geeft onduidelijkheid en inconsequentie in regels een onveilig gevoel bij je kind.
Hoe verandert je peuter snel van gedrag?
•
Leid je kind af. Bij jonge kinderen lukt dit redelijk makkelijk. Gooit je kind in huis met spullen, wijs dan naar iets leuks op tv of in een boekje.
•
Negeer je kind. Je hoeft niet altijd op alles te reageren. Gebruikt je kind lelijke woorden (die het vaak zelf niet snapt), dan kan je daar maar beter geen aandacht aan schenken. Er wel aandacht aan geven lokt soms nog extra negatief gedrag uit.
•
Laat je kind de gevolgen van zijn gedrag ondervinden. Is het koud buiten en weigert je kind om handschoenen aan te doen, laat het dan de last ondervinden van het niet-luisteren. Doe dit niet in een gevaarlijke situatie.
•
Corrigeer het gedrag. Moedig het gewenste gedrag aan. Neemt je kindje iets af van zijn broertje, zeg dan dat het daar eerst om moet vragen.
•
Beloon of bevestig je kind als het dit goed doet!
Posts tonen met het label bibliotheek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bibliotheek. Alle posts tonen
woensdag 14 januari 2009
Hoe wordt mijn peuter zindelijk ?
Plassen op het potje of wcZoals bij alle ontwikkelingen die een peuter doormaakt, geldt ook hier dat ieder kind op zijn eigen tijd zindelijk wordt. De meeste kinderen worden zindelijk tussen de 2 en 4 jaar. Eerder ‘trainen’ heeft geen zin. Je kan het proces niet versnellen. Om zindelijk te worden moeten kinderen zover zijn dat ze iets begrijpen, iets willen en iets kunnen. Zo moeten ze kunnen voelen wanneer ze een plasje moeten doen, ze moeten begrijpen waarvoor een potje dient en ze moeten willen meewerken (op het potje willen zitten). Dwingen werkt alleen maar averechts.
Hoe merk je dat je kindje er aan toe is?Je kind geeft op een bepaald moment zelf aan wanneer het aan het potje toe is. Hieronder een aantal voorbeelden waaraan je dat kunt merken.
•
Je kindje blijft langere tijd droog
•
Je kind krijgt interesse in het naar de WC gaan van anderen
•
Je kind zondert zich af wanneer hij een plas of ontlasting moet doen
•
Je kind geeft aan dat hij een plas of ontlasting in de luier heeft door bijvoorbeeld met een handje tegen de luier te drukken. Als je dit ziet, haal dan het potje tevoorschijn
Enkele tips:
•
Maak je kind vertrouwd met het potje Laat hem met het potje spelen en leg uit waarvoor het dient.
•
Zorg voor een geschikt potje Een potje waarop je peuter met zijn voetjes aan de grond kan en waarop het rustig in hurkzit kan zitten. Wil je liever een kinderbril op het grote toilet? Dat kan op voorwaarde dat je een opstapje bij het toilet plaatst, waar je kindje zijn voetjes op kan plaatsen.
•
Geef zelf het goede voorbeeld Peuters imiteren graag het gedrag van volwassenen. Maak daarvan bijvoorbeeld gebruik door het potje naast de WC te plaatsen. Wanneer je zelf moet, neem je je peuter mee.
•
Wacht op mooi weer Het ideale moment om een zindelijkheidstraining te beginnen is de lente of zomer. Wanneer de zon schijnt, en je peuter buiten gaat spelen laat je hem een tijdje rondlopen zonder luier. Hij zal merken dat hij nat wordt en sneller begrijpen wat er gebeurt.
•
Niet te lang Laat je kindje nooit te lang op zijn potje zitten. Zet hem liever met regelmatige tussenpozen op zijn potje, bijvoorbeeld na het eten. Vind je dat je kleintje er vaak te lang op moet zitten voor het plasje komt, dan wil de truc met de lopende waterkraan nogal eens helpen.
•
Regelmatig op het potje Veel kinderen hebben een bepaalde regelmaat in het op het potje gaan. Kijk of jouw kind ook steeds op dezelfde momenten iets moet en zet hem op die tijden steeds op het potje.
•
Belonen Doet je peuter iets in het potje, hoe weinig ook, dan is het heel belangrijk dat je je peuter beloont. Maar wordt vooral nooit boos als er weer niets in ligt, dit haalt niets uit. Integendeel zelfs, je kind zou zich op den duur gaan forceren en op deze manier een verkeerd plasgedrag ontwikkelen, wat dan weer aanleiding kan geven tot infecties.
Hoe merk je dat je kindje er aan toe is?Je kind geeft op een bepaald moment zelf aan wanneer het aan het potje toe is. Hieronder een aantal voorbeelden waaraan je dat kunt merken.
•
Je kindje blijft langere tijd droog
•
Je kind krijgt interesse in het naar de WC gaan van anderen
•
Je kind zondert zich af wanneer hij een plas of ontlasting moet doen
•
Je kind geeft aan dat hij een plas of ontlasting in de luier heeft door bijvoorbeeld met een handje tegen de luier te drukken. Als je dit ziet, haal dan het potje tevoorschijn
Enkele tips:
•
Maak je kind vertrouwd met het potje Laat hem met het potje spelen en leg uit waarvoor het dient.
•
Zorg voor een geschikt potje Een potje waarop je peuter met zijn voetjes aan de grond kan en waarop het rustig in hurkzit kan zitten. Wil je liever een kinderbril op het grote toilet? Dat kan op voorwaarde dat je een opstapje bij het toilet plaatst, waar je kindje zijn voetjes op kan plaatsen.
•
Geef zelf het goede voorbeeld Peuters imiteren graag het gedrag van volwassenen. Maak daarvan bijvoorbeeld gebruik door het potje naast de WC te plaatsen. Wanneer je zelf moet, neem je je peuter mee.
•
Wacht op mooi weer Het ideale moment om een zindelijkheidstraining te beginnen is de lente of zomer. Wanneer de zon schijnt, en je peuter buiten gaat spelen laat je hem een tijdje rondlopen zonder luier. Hij zal merken dat hij nat wordt en sneller begrijpen wat er gebeurt.
•
Niet te lang Laat je kindje nooit te lang op zijn potje zitten. Zet hem liever met regelmatige tussenpozen op zijn potje, bijvoorbeeld na het eten. Vind je dat je kleintje er vaak te lang op moet zitten voor het plasje komt, dan wil de truc met de lopende waterkraan nogal eens helpen.
•
Regelmatig op het potje Veel kinderen hebben een bepaalde regelmaat in het op het potje gaan. Kijk of jouw kind ook steeds op dezelfde momenten iets moet en zet hem op die tijden steeds op het potje.
•
Belonen Doet je peuter iets in het potje, hoe weinig ook, dan is het heel belangrijk dat je je peuter beloont. Maar wordt vooral nooit boos als er weer niets in ligt, dit haalt niets uit. Integendeel zelfs, je kind zou zich op den duur gaan forceren en op deze manier een verkeerd plasgedrag ontwikkelen, wat dan weer aanleiding kan geven tot infecties.
suikerziekte bij kinderen
Het aantal kinderen dat suikerziekte krijgt is de laatste tien jaar met 21 procent toegenomen. Jaarlijks komen er nu meer dan 500 patiëntjes bij die de rest van hun leven insuline moeten spuiten.
Met 13 lijders per 100.000 jongeren onder de twintig jaar is deze vorm van suikerziekte nog steeds betrekkelijk zeldzaam, maar toch na astma en epilepsie de belangrijkste chronische jeugdziekte. Deze cijfers staan in een rapport van het Nederlands Instituut voor Praeventieve Gezondheidszorg/TNO (IPG/TNO) in Leiden.
IPG/TNO onderzocht of in Nederland, net als elders in Europa, het aantal gevallen van suikerziekte onder kinderen (juveniele diabetes mellitus) toeneemt. Daartoe werd aan alle in ziekenhuizen werkzame kinderartsen en internisten gevraagd om nieuwe gevallen (de incidentie) van suikerziekte in 1988 tot en met 1990 te melden. Vergeleken met een eerdere studie uit 1981 was er een duidelijke toename.
Vergeleken met andere landen was die toename overigens nog laag. In Finland verdubbelde het aantal jeugdige patiënten in 20 jaar en zijn er jaarlijks 42 nieuwe gevallen per 100.000 kinderen, ruim driemaal zoveel als in Nederland.
De projectleider van het IPG/TNO-onderzoek naar jeugddiabetes, kinderarts dr. R.A. Hirasing, over de resultaten: "Het onderzoek was primair opgezet om na te gaan of er een toename was van suikerziekte bij jeugdigen, maar tegelijk bleken er opmerkelijke wisselingen te bestaan in de incidentie van de ziekte. Er waren duidelijke regionale verschillen, seizoenschommelingen en er bestonden sterke fluctuaties over de jaren."
Zo waren er in de provincie Groningen in 1988 ongekend veel nieuwe gevallen (28 per 100.000 kinderen) en het jaar daarop juist heel weinig (slechts 7 per 100.000). Tegelijk bleef de incidentie in de randstad min of meer constant: rond 13 per 100.000. Nieuwe ziektegevallen deden zich het vaakst voor in de wintermaanden.
Een verklaring voor deze sterke variatie heeft Hirasing niet, al vindt hij het verleidelijk te speculeren over een invloed van virusinfecties op het ontstaan van suikerziekte: "Zulke snelle wisselingen zijn eigenlijk alleen te verklaren als ze het resultaat zijn van infectieziekten. Het is heel interessant om dat nog verder uit te zoeken, want dan kom je dicht bij de oorzaak van diabetes. Zo zou je kunnen nagaan of er in 1988 in Groningen vaker kinderen zijn opgenomen met een bepaalde infectieziekte. Daarnaast zou er bij kinderen ook bloedonderzoek gedaan moeten worden op het moment dat ze suikerziekte krijgen. Dan kun je kijken welke infectieziekten er een rol spelen."
Op het ogenblik is het echter nog steeds onduidelijk waarom sommige kinderen suikerziekte krijgen en anderen niet. Men weet wel dat een zekere erfelijke aanleg een rol speelt.
Bepaalde genen leveren een gevoeligheid voor suikerziekte, maar lang niet alle kinderen met die erfelijke aanleg krijgen de ziekte ook echt. Dat blijkt wel uit onderzoek bij eeneiige tweelingen: de kans dat allebei de helften van de tweeling diabetes krijgen is minder dan 50 procent. Bepaalde families zijn erfelijk belast met diabetes, maar ook dan blijft de kans op de ziekte onder de tien procent.
Wel bestaat er weinig twijfel meer over het feit dat insuline-afhankelijke diabetes (IDDM, insulin dependent diabetes mellitus) een auto-immuunziekte is. Men weet dat er al geruime tijd voor het ontstaan van de klachten afweerstoffen aanwezig zijn gericht tegen de eigen insulineproducerende cellen. Dat zijn de bèta-cellen in de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier (pancreas).
Suikeropname
Insuline verzorgt het transport van suiker (glucose) door de bloedbaan en bevordert de suikeropname door de lichaamscellen. Binnen de cellen wordt glucose tijdelijk opgeslagen of direct gebruikt als energiebron. Bij een gestoorde insulineproductie ontstaat er na elke maaltijd een sterke stijging van de glucoseconcentratie in het bloed (hyperglycemie) totdat er op een gegeven moment zoveel glucose is dat het via de nieren in de urine terechtkomt.
Samen met de glucose gaat er vocht verloren. De eerste tekenen van suikerziekte zijn dan ook dat er grote hoeveelheden urine vol glucose geproduceerd worden (diabetes mellitus, Grieks voor honingzoete doorloop, vroeger stelde men de diagnose wel door de urine te proeven). De patiënt heeft daarbij verschrikkelijke dorst.
Voor de ontdekking van insuline (in 1921) was suikerziekte snel dodelijk, omdat de lichaamscellen proberen om het tekort aan energie aan te vullen door vet te verbranden. Daardoor ontstaan zoveel afbraakproducten dat het bloed verzuurt. Door deze ontsporing van de stofwisseling raakt de patiënt uiteindelijk in coma.
Wellicht is het zo dat de genen een rol spelen bij het ontstaan van de antistoffen tegen de eigen insulineproducerende cellen. Niet alle kinderen bij wie er antistoffen gemeten zijn, krijgen echter ook suikerziekte: bij een aantal van hen ziet men die antistoffen gewoon weer verdwijnen.
Hirasing: "Tussen vatbaarheid en het tot uitdrukking komen van de ziekte spelen allerlei factoren een rol: voedingsfactoren en misschien leefomstandigheden die ook weer vatbaarder maken voor bepaalde infectieziekten. Er is iets wat de auto-immuunreactie op gang houdt en er zijn wellicht ook factoren die er een bescherming tegen geven. Je zou die antistoffen dus gewoon kunnen zien als een symptoom, zoals bijvoorbeeld koorts."
Onlangs meldden Canadese en Finse onderzoekers (The New England Journal of Medicine, 30 juli 1992) dat kinderen met diabetes zeven keer vaker dan andere kinderen antistoffen vormen tegen het eiwit albumine in koemelk. Dit albumine vertoont een overeenkomst met een eiwit in de wand van de bèta-cellen in de pancreas. Misschien dat een allergische reactie op koemelk tegelijk een auto-immuunreactie tegen de bèta-cellen op gang zet. In Finland is er een parallel aangetoond tussen flesvoeding en het vaker voorkomen van diabetes. Dr. Hirasing: "Daarmee kun je echter niet de grote verschillen van jaar tot jaar verklaren. Ik geloof wel in de invloed van veranderde voedingsgewoonten, maar dan meer als een verklaring voor de geleidelijke stijging. Misschien is de toename van suikerziekte ook het gevolg van een ander patroon van infectieziekten. Vroeger gingen kinderen dood aan kinkhoest, difterie of mazelen. We hebben een enorme vooruitgang geboekt in het voorkómen van dergelijke ziekten en het is niet verwonderlijk dat er dan andere ziekten, zoals diabetes, de kop opsteken."
Kinderen van Marokkaanse afkomst lijden viermaal zo vaak aan suikerziekte als Turkse kinderen. Nederlandse en Surinaamse kinderen zitten daar tussen in. Met dergelijke migrantenstudies valt kennis te vergaren over de oorzaken van diabetes maar dan moet wel bekend zijn hoe vaak diabetes in het land van herkomst voorkomt. Dat is tot nu toe nauwelijks onderzocht.
Daarom blijft het voorlopig gissen. Hirasing wijt dit aan het feit dat er pas enkele jaren gericht onderzoek gedaan wordt naar de oorzaken van suikerziekte en de mogelijkheden om die ziekte te voorkomen: "Preventie van een ernstige ziekte, zoals diabetes is natuurlijk het ideaal, maar ik weet niet hoelang het nog gaat duren voor we daarmee resultaten boeken."
Hij stelt dat er overigens op betrekkelijk eenvoudige wijze nu ook al best wat meer gedaan kan worden voor patiëntjes met juveniele diabetes: "Ik ben er van overtuigd dat lang niet alle kinderen die suikerziekte krijgen in een ziekenhuis hoeven te worden opgenomen. Het begin van de ziekte wordt heel anders als deze niet begint in een wereldvreemd ziekenhuis met allerlei vreemde mensen om het bed die je allemaal zonodig moeten prikken".
R.A. Hirasing e.a. De incidentie van insuline-afhankelijke diabetes mellitus bij 0-19-jarigen in Nederland (1988-1990). NIPG/TNO, Leiden.
Diagram: Incidentie per 100.000 naar jaar en naar provincie Onderschrift: Het aantal nieuwe gevallen van suikerziekte per 100.000 kinderen vertoont opvallende regionale verschillen en fluctueert over de jaren. Vooral in Groningen zijn de wisselingen opvallend groot. In de randstad blijft het aantal gevallen daarentegen min of meer constant.
Afbeelding Europa met zuid-noordgradiënt voor suikerziekte: Onderschrift: Het aantal gevallen van suikerziekte onder kinderen loopt op van zuid naar noord. In zuidelijke landen is de incidentie betrekkelijk laag (Griekenland 5, Italië 7 en Spanje 11 per 100.000 kinderen). Nederland en België liggen daar met 13 per 100.000 tussen in en de Noordelijk landen steken daar ver bovenuit (Noorwegen 21 en Finland zelfs 41 per 100.000). Een opvallende uitzondering op deze zuid/noord gradiënt vormt Sardinië met 30 per 100.000 kinderen
Met 13 lijders per 100.000 jongeren onder de twintig jaar is deze vorm van suikerziekte nog steeds betrekkelijk zeldzaam, maar toch na astma en epilepsie de belangrijkste chronische jeugdziekte. Deze cijfers staan in een rapport van het Nederlands Instituut voor Praeventieve Gezondheidszorg/TNO (IPG/TNO) in Leiden.
IPG/TNO onderzocht of in Nederland, net als elders in Europa, het aantal gevallen van suikerziekte onder kinderen (juveniele diabetes mellitus) toeneemt. Daartoe werd aan alle in ziekenhuizen werkzame kinderartsen en internisten gevraagd om nieuwe gevallen (de incidentie) van suikerziekte in 1988 tot en met 1990 te melden. Vergeleken met een eerdere studie uit 1981 was er een duidelijke toename.
Vergeleken met andere landen was die toename overigens nog laag. In Finland verdubbelde het aantal jeugdige patiënten in 20 jaar en zijn er jaarlijks 42 nieuwe gevallen per 100.000 kinderen, ruim driemaal zoveel als in Nederland.
De projectleider van het IPG/TNO-onderzoek naar jeugddiabetes, kinderarts dr. R.A. Hirasing, over de resultaten: "Het onderzoek was primair opgezet om na te gaan of er een toename was van suikerziekte bij jeugdigen, maar tegelijk bleken er opmerkelijke wisselingen te bestaan in de incidentie van de ziekte. Er waren duidelijke regionale verschillen, seizoenschommelingen en er bestonden sterke fluctuaties over de jaren."
Zo waren er in de provincie Groningen in 1988 ongekend veel nieuwe gevallen (28 per 100.000 kinderen) en het jaar daarop juist heel weinig (slechts 7 per 100.000). Tegelijk bleef de incidentie in de randstad min of meer constant: rond 13 per 100.000. Nieuwe ziektegevallen deden zich het vaakst voor in de wintermaanden.
Een verklaring voor deze sterke variatie heeft Hirasing niet, al vindt hij het verleidelijk te speculeren over een invloed van virusinfecties op het ontstaan van suikerziekte: "Zulke snelle wisselingen zijn eigenlijk alleen te verklaren als ze het resultaat zijn van infectieziekten. Het is heel interessant om dat nog verder uit te zoeken, want dan kom je dicht bij de oorzaak van diabetes. Zo zou je kunnen nagaan of er in 1988 in Groningen vaker kinderen zijn opgenomen met een bepaalde infectieziekte. Daarnaast zou er bij kinderen ook bloedonderzoek gedaan moeten worden op het moment dat ze suikerziekte krijgen. Dan kun je kijken welke infectieziekten er een rol spelen."
Op het ogenblik is het echter nog steeds onduidelijk waarom sommige kinderen suikerziekte krijgen en anderen niet. Men weet wel dat een zekere erfelijke aanleg een rol speelt.
Bepaalde genen leveren een gevoeligheid voor suikerziekte, maar lang niet alle kinderen met die erfelijke aanleg krijgen de ziekte ook echt. Dat blijkt wel uit onderzoek bij eeneiige tweelingen: de kans dat allebei de helften van de tweeling diabetes krijgen is minder dan 50 procent. Bepaalde families zijn erfelijk belast met diabetes, maar ook dan blijft de kans op de ziekte onder de tien procent.
Wel bestaat er weinig twijfel meer over het feit dat insuline-afhankelijke diabetes (IDDM, insulin dependent diabetes mellitus) een auto-immuunziekte is. Men weet dat er al geruime tijd voor het ontstaan van de klachten afweerstoffen aanwezig zijn gericht tegen de eigen insulineproducerende cellen. Dat zijn de bèta-cellen in de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier (pancreas).
Suikeropname
Insuline verzorgt het transport van suiker (glucose) door de bloedbaan en bevordert de suikeropname door de lichaamscellen. Binnen de cellen wordt glucose tijdelijk opgeslagen of direct gebruikt als energiebron. Bij een gestoorde insulineproductie ontstaat er na elke maaltijd een sterke stijging van de glucoseconcentratie in het bloed (hyperglycemie) totdat er op een gegeven moment zoveel glucose is dat het via de nieren in de urine terechtkomt.
Samen met de glucose gaat er vocht verloren. De eerste tekenen van suikerziekte zijn dan ook dat er grote hoeveelheden urine vol glucose geproduceerd worden (diabetes mellitus, Grieks voor honingzoete doorloop, vroeger stelde men de diagnose wel door de urine te proeven). De patiënt heeft daarbij verschrikkelijke dorst.
Voor de ontdekking van insuline (in 1921) was suikerziekte snel dodelijk, omdat de lichaamscellen proberen om het tekort aan energie aan te vullen door vet te verbranden. Daardoor ontstaan zoveel afbraakproducten dat het bloed verzuurt. Door deze ontsporing van de stofwisseling raakt de patiënt uiteindelijk in coma.
Wellicht is het zo dat de genen een rol spelen bij het ontstaan van de antistoffen tegen de eigen insulineproducerende cellen. Niet alle kinderen bij wie er antistoffen gemeten zijn, krijgen echter ook suikerziekte: bij een aantal van hen ziet men die antistoffen gewoon weer verdwijnen.
Hirasing: "Tussen vatbaarheid en het tot uitdrukking komen van de ziekte spelen allerlei factoren een rol: voedingsfactoren en misschien leefomstandigheden die ook weer vatbaarder maken voor bepaalde infectieziekten. Er is iets wat de auto-immuunreactie op gang houdt en er zijn wellicht ook factoren die er een bescherming tegen geven. Je zou die antistoffen dus gewoon kunnen zien als een symptoom, zoals bijvoorbeeld koorts."
Onlangs meldden Canadese en Finse onderzoekers (The New England Journal of Medicine, 30 juli 1992) dat kinderen met diabetes zeven keer vaker dan andere kinderen antistoffen vormen tegen het eiwit albumine in koemelk. Dit albumine vertoont een overeenkomst met een eiwit in de wand van de bèta-cellen in de pancreas. Misschien dat een allergische reactie op koemelk tegelijk een auto-immuunreactie tegen de bèta-cellen op gang zet. In Finland is er een parallel aangetoond tussen flesvoeding en het vaker voorkomen van diabetes. Dr. Hirasing: "Daarmee kun je echter niet de grote verschillen van jaar tot jaar verklaren. Ik geloof wel in de invloed van veranderde voedingsgewoonten, maar dan meer als een verklaring voor de geleidelijke stijging. Misschien is de toename van suikerziekte ook het gevolg van een ander patroon van infectieziekten. Vroeger gingen kinderen dood aan kinkhoest, difterie of mazelen. We hebben een enorme vooruitgang geboekt in het voorkómen van dergelijke ziekten en het is niet verwonderlijk dat er dan andere ziekten, zoals diabetes, de kop opsteken."
Kinderen van Marokkaanse afkomst lijden viermaal zo vaak aan suikerziekte als Turkse kinderen. Nederlandse en Surinaamse kinderen zitten daar tussen in. Met dergelijke migrantenstudies valt kennis te vergaren over de oorzaken van diabetes maar dan moet wel bekend zijn hoe vaak diabetes in het land van herkomst voorkomt. Dat is tot nu toe nauwelijks onderzocht.
Daarom blijft het voorlopig gissen. Hirasing wijt dit aan het feit dat er pas enkele jaren gericht onderzoek gedaan wordt naar de oorzaken van suikerziekte en de mogelijkheden om die ziekte te voorkomen: "Preventie van een ernstige ziekte, zoals diabetes is natuurlijk het ideaal, maar ik weet niet hoelang het nog gaat duren voor we daarmee resultaten boeken."
Hij stelt dat er overigens op betrekkelijk eenvoudige wijze nu ook al best wat meer gedaan kan worden voor patiëntjes met juveniele diabetes: "Ik ben er van overtuigd dat lang niet alle kinderen die suikerziekte krijgen in een ziekenhuis hoeven te worden opgenomen. Het begin van de ziekte wordt heel anders als deze niet begint in een wereldvreemd ziekenhuis met allerlei vreemde mensen om het bed die je allemaal zonodig moeten prikken".
R.A. Hirasing e.a. De incidentie van insuline-afhankelijke diabetes mellitus bij 0-19-jarigen in Nederland (1988-1990). NIPG/TNO, Leiden.
Diagram: Incidentie per 100.000 naar jaar en naar provincie Onderschrift: Het aantal nieuwe gevallen van suikerziekte per 100.000 kinderen vertoont opvallende regionale verschillen en fluctueert over de jaren. Vooral in Groningen zijn de wisselingen opvallend groot. In de randstad blijft het aantal gevallen daarentegen min of meer constant.
Afbeelding Europa met zuid-noordgradiënt voor suikerziekte: Onderschrift: Het aantal gevallen van suikerziekte onder kinderen loopt op van zuid naar noord. In zuidelijke landen is de incidentie betrekkelijk laag (Griekenland 5, Italië 7 en Spanje 11 per 100.000 kinderen). Nederland en België liggen daar met 13 per 100.000 tussen in en de Noordelijk landen steken daar ver bovenuit (Noorwegen 21 en Finland zelfs 41 per 100.000). Een opvallende uitzondering op deze zuid/noord gradiënt vormt Sardinië met 30 per 100.000 kinderen
Luiereczeem
Alle baby’s hebben er wel eens in meer of mindere mate last: luiereczeem of luieruitslag. De huid in het luiergebied is rood, geïrriteerd, bedekt met blaasjes en soms zelfs kapot. Hoewel het niet gevaarlijk of besmettelijk is, is het wel een heel vervelende en soms erg pijnlijke huidaandoening. Gelukkig zijn er maatregelen die u kunt nemen waardoor het eczeem al binnen een week zou moetenverdwijnen.
OorzaakDe oorzaak van luiereczeem (luieruitslag of luierdermatitis) is een combinatie van warmte en vocht die de huid week en makkelijk doordringbaar maken en de wrijving tussen de huid en de luier. Daarnaast bevat ontlasting allerlei enzymen en andere eiwitten en urine ammoniak. Door deze stoffen kan de huid van een kindje dat al last van luieruitslag heeft makkelijk en snel extra nog beschadigen. Sommige geneesmiddelen, bijvoorbeeld antibiotica, kunnen ook luiereczeem veroorzaken. Ook het doorkomen van tandjes en kiezen is een beruchte oorzaak. In de eerste drie weken van het leven van de baby komt luieruitslag vrijwel niet voor. Het kan ontstaan vanaf de derde levensweek, de meeste klachten komen we tegen bij baby’s tussen een half jaar en een jaar oud. Jongens hebben net zoveel klachten als meisjes.
Behandeling
Gebruik goede wegwerpluiers (dus multi-gelaagde luiers met vochtabsorberende gels) in plaats van katoenen luiers. Wilt u toch katoenen luiers gebruiken, spoel ze dan na het wassen na met water en azijn zodat er geen zeepresten achterblijven of was ze op het kookwasprogramma met een neutraal wasmiddel.
Verschoon de baby regelmatig (om de drie uur, dus zo’n 7 á 8 keer per dag) én zo snel mogelijk na een poepbroek (bepaalde eiwitten in de ontlasting zijn erg schadelijk voor de huid)
Maak de billen na een poepbroek zachtjes schoon met wat water (gebruik dus geen zeep of lotiondoekjes) en een zacht (bijvoorbeeld) hydrofiel washandje
Na het baden en/of verschonen de billetjes goed deppend afdrogen. Ook is het goed om de baby zo vaak mogelijk met blote billen te laten liggen om de billen door de lucht te laten drogen
Smeer na het verschonen het luiergebied in met een beschermende huidzalf (bijvoorbeeld zinkzalf)
Gebruik geen uierzalven, boorzuurhoudende zalven en zalven die voedselbestanddelen bevatten, zij hebben een irriterend effect op de huid
Bij ernstige gevallen van luiereczeem is het soms raadzaam om tijdelijke een lichte hormoonzalf te gebruiken
Een goede huis- tuin- en keukentip is het gebruik van maïzena of olijfolie
Gistinfectie (Candida albicans) en spruwWanneer de uitslag ondanks deze maatregelen na een week niet is verdwenen, is het verstandig om een afspraak te maken met uw huisarts. Het kan dan namelijk zijn dat er een gistinfectie bijgekomen is. De belangrijkste gistsoort is de Candida albicans, die zich goed thuis voelt op warme en vochtige plekjes. Je kunt deze infectie herkennen aan de fijne ringvormige schilfering langs de rode plekken en de zogenaamde ‘satellietlaesies’ of ‘eilandjes voor de kust’. Dit zijn kleinere rode vlekken met een schilferig randje net buiten de grote rode plekken. Bij een infectie met Candida albicans zie je soms ook kleine witte puistjes. In dergelijke gevallen zal de huisarts een antigistmiddel of een combinatiecrème voorschrijven die hydrocortison, zink en een antigistmiddel bevat. Wanneer de luieruitslag bestaat uit kleine, rode vlekjes, is het ook goed om het mondje van de baby even te controleren. Het kan zijn dat het kindje last van spruw heeft. Spruw kunt u herkennen aan gelige of witte vlekjes op het slijmvlies aan de binnenkant van lippen, wangen en verhemelte. Spruw kan, als het niet snel behandeld wordt namelijk overslaan naar de billen.Daarnaast zijn er een aantal andere huidaandoeningen die lijken op luiereczeem maar het niet zijn. De maatregelen die uw genomen heeft tegen het luiereczeem zijn bij deze huidaandoeningen veelal niet voldoende. Uw huisarts kan in een dergelijke geval aanvullende middelen voorschrijven.
OorzaakDe oorzaak van luiereczeem (luieruitslag of luierdermatitis) is een combinatie van warmte en vocht die de huid week en makkelijk doordringbaar maken en de wrijving tussen de huid en de luier. Daarnaast bevat ontlasting allerlei enzymen en andere eiwitten en urine ammoniak. Door deze stoffen kan de huid van een kindje dat al last van luieruitslag heeft makkelijk en snel extra nog beschadigen. Sommige geneesmiddelen, bijvoorbeeld antibiotica, kunnen ook luiereczeem veroorzaken. Ook het doorkomen van tandjes en kiezen is een beruchte oorzaak. In de eerste drie weken van het leven van de baby komt luieruitslag vrijwel niet voor. Het kan ontstaan vanaf de derde levensweek, de meeste klachten komen we tegen bij baby’s tussen een half jaar en een jaar oud. Jongens hebben net zoveel klachten als meisjes.
Behandeling
Gebruik goede wegwerpluiers (dus multi-gelaagde luiers met vochtabsorberende gels) in plaats van katoenen luiers. Wilt u toch katoenen luiers gebruiken, spoel ze dan na het wassen na met water en azijn zodat er geen zeepresten achterblijven of was ze op het kookwasprogramma met een neutraal wasmiddel.
Verschoon de baby regelmatig (om de drie uur, dus zo’n 7 á 8 keer per dag) én zo snel mogelijk na een poepbroek (bepaalde eiwitten in de ontlasting zijn erg schadelijk voor de huid)
Maak de billen na een poepbroek zachtjes schoon met wat water (gebruik dus geen zeep of lotiondoekjes) en een zacht (bijvoorbeeld) hydrofiel washandje
Na het baden en/of verschonen de billetjes goed deppend afdrogen. Ook is het goed om de baby zo vaak mogelijk met blote billen te laten liggen om de billen door de lucht te laten drogen
Smeer na het verschonen het luiergebied in met een beschermende huidzalf (bijvoorbeeld zinkzalf)
Gebruik geen uierzalven, boorzuurhoudende zalven en zalven die voedselbestanddelen bevatten, zij hebben een irriterend effect op de huid
Bij ernstige gevallen van luiereczeem is het soms raadzaam om tijdelijke een lichte hormoonzalf te gebruiken
Een goede huis- tuin- en keukentip is het gebruik van maïzena of olijfolie
Gistinfectie (Candida albicans) en spruwWanneer de uitslag ondanks deze maatregelen na een week niet is verdwenen, is het verstandig om een afspraak te maken met uw huisarts. Het kan dan namelijk zijn dat er een gistinfectie bijgekomen is. De belangrijkste gistsoort is de Candida albicans, die zich goed thuis voelt op warme en vochtige plekjes. Je kunt deze infectie herkennen aan de fijne ringvormige schilfering langs de rode plekken en de zogenaamde ‘satellietlaesies’ of ‘eilandjes voor de kust’. Dit zijn kleinere rode vlekken met een schilferig randje net buiten de grote rode plekken. Bij een infectie met Candida albicans zie je soms ook kleine witte puistjes. In dergelijke gevallen zal de huisarts een antigistmiddel of een combinatiecrème voorschrijven die hydrocortison, zink en een antigistmiddel bevat. Wanneer de luieruitslag bestaat uit kleine, rode vlekjes, is het ook goed om het mondje van de baby even te controleren. Het kan zijn dat het kindje last van spruw heeft. Spruw kunt u herkennen aan gelige of witte vlekjes op het slijmvlies aan de binnenkant van lippen, wangen en verhemelte. Spruw kan, als het niet snel behandeld wordt namelijk overslaan naar de billen.Daarnaast zijn er een aantal andere huidaandoeningen die lijken op luiereczeem maar het niet zijn. De maatregelen die uw genomen heeft tegen het luiereczeem zijn bij deze huidaandoeningen veelal niet voldoende. Uw huisarts kan in een dergelijke geval aanvullende middelen voorschrijven.
vrijdag 16 november 2007
taalachterstand of niet?
Kinderen ontwikkelen allemaal voor hun vierde jaar de basis van taal. Dat doen ze in hun eigen tempo en als zij eraan toe zijn. Soms is de een wat sneller dan de ander. Je hebt echte brabbelaars, die al rond hun eerste jaar er lekker onverstaanbaar op los brabbele. Je hebt ook perfectionisten,die de woorden eerst goed opnemen om ze wat later meteen goed te kunnen uit spreken.
Vanaf de geboorte communiceren kinderen eerst non-verbaal. Baby's reageren op de verorgers door te glimlachen en te luisteren naar klanken om zich heen. Na een half jaar oefenen ze al brabbelend klanken en medeklinkers. Rond de eerste verjaardag kan een kind met zijn eerste echte woordjes actief duidelijk maken wat hij bedoelt. Zijn passieve woordkennis is vaak veel groter. Na ongeveer 50 tot 100 woorden onstaat de woordenschat explosie van vele woroden per maand. Rond twee jaar komen de twee-of drie woordjes zinnentjes. Kinderen van gemiddeld drie jaar spreken in drie-tot vijf woordzinnenmet een nog niet volwassen grammatica. Bij vier jaar kunnen ze eenvoudige zinnen met vrijwel volledige grammaticva uitspreken.Vijfjarigen kunnen in volledige zinnen een begrijpelijk verhaal vertellen. een kind van zes heeft een woordenschat van gemiddeld 14.000 woorden. De ontwikkeling an taal gaat daarna het hele leven door.
De peuter uit jouw voorbeeld maakt een gemiddelde indruk. Haar 'achterstand' kan heel goedpassen binnen de beschreven taalontwikkeling. Misschien is het de 'stilte voro de storm': is ze zo'n perfectionist die alles goed wil uitspreken en komt er binnenkort een enorme woordenstoom uit. Het is goed om op te letten of er verdere ontwikkelingen ontstaan. Leert ze er bijvoorbeeld passief woorden bij ? Zijn er fysieke oorzaken waardoor ze niet wil of kan praten? Maakt ze verder in het dagelijks leven een gezonde, gelukkige indruk? Het kan ook zijn dat ze weigeren als noodzaak ziet om te praten. Bijvoorbeeld omdat ze zonder woroden goed begrepen wordt. Daag haar daarom uit om zoveel mogelijk uit door vragen te stellen en te herhalen: Wat wil je op je brood? Wil je graag pindakaas? Het is verder belangrijk dat kinderen taal om zich heen horen. Je vergroot de woordenschat van peuters en leert hen ook regels over taal door veel tegen hen te praten. Je kunt verder boeken gebruiken om voor te lezen of via plaatjes de kinderen om de beurt te laten vertellen. Kinderen worden zo spelendewijs geactiveerd om taal te gebruiken.
Kinderen ontwikkelen allemaal voor hun vierde jaar de basis van taal. Dat doen ze in hun eigen tempo en als zij eraan toe zijn. Soms is de een wat sneller dan de ander. Je hebt echte brabbelaars, die al rond hun eerste jaar er lekker onverstaanbaar op los brabbele. Je hebt ook perfectionisten,die de woorden eerst goed opnemen om ze wat later meteen goed te kunnen uit spreken.
Vanaf de geboorte communiceren kinderen eerst non-verbaal. Baby's reageren op de verorgers door te glimlachen en te luisteren naar klanken om zich heen. Na een half jaar oefenen ze al brabbelend klanken en medeklinkers. Rond de eerste verjaardag kan een kind met zijn eerste echte woordjes actief duidelijk maken wat hij bedoelt. Zijn passieve woordkennis is vaak veel groter. Na ongeveer 50 tot 100 woorden onstaat de woordenschat explosie van vele woroden per maand. Rond twee jaar komen de twee-of drie woordjes zinnentjes. Kinderen van gemiddeld drie jaar spreken in drie-tot vijf woordzinnenmet een nog niet volwassen grammatica. Bij vier jaar kunnen ze eenvoudige zinnen met vrijwel volledige grammaticva uitspreken.Vijfjarigen kunnen in volledige zinnen een begrijpelijk verhaal vertellen. een kind van zes heeft een woordenschat van gemiddeld 14.000 woorden. De ontwikkeling an taal gaat daarna het hele leven door.
De peuter uit jouw voorbeeld maakt een gemiddelde indruk. Haar 'achterstand' kan heel goedpassen binnen de beschreven taalontwikkeling. Misschien is het de 'stilte voro de storm': is ze zo'n perfectionist die alles goed wil uitspreken en komt er binnenkort een enorme woordenstoom uit. Het is goed om op te letten of er verdere ontwikkelingen ontstaan. Leert ze er bijvoorbeeld passief woorden bij ? Zijn er fysieke oorzaken waardoor ze niet wil of kan praten? Maakt ze verder in het dagelijks leven een gezonde, gelukkige indruk? Het kan ook zijn dat ze weigeren als noodzaak ziet om te praten. Bijvoorbeeld omdat ze zonder woroden goed begrepen wordt. Daag haar daarom uit om zoveel mogelijk uit door vragen te stellen en te herhalen: Wat wil je op je brood? Wil je graag pindakaas? Het is verder belangrijk dat kinderen taal om zich heen horen. Je vergroot de woordenschat van peuters en leert hen ook regels over taal door veel tegen hen te praten. Je kunt verder boeken gebruiken om voor te lezen of via plaatjes de kinderen om de beurt te laten vertellen. Kinderen worden zo spelendewijs geactiveerd om taal te gebruiken.
donderdag 4 oktober 2007
Gastles BSO
Vandaag 4-10-07, Hadden we een gastles van een mevrouw die iets kwam vertellen over de BSO.
Ze had veel informatie en ook veel foto's wat ik heel leuk vond zo kun je ook een beter beeld krijgen bij wat er verteld wordt. Zo vertelde ze dat de kinderen heel erg zelfstandig zijn zo hoef je op de BSO geen luier te verschonen, je hebt minder verzorging, het meubilair is hoger, De kinderen kunnen zelf hun brood smeren. De kinderen kunnen dus al heel veel zelf daarom ben je ook meer bezig met de kinderen sturen en ze te stimuleren. Je geeft ze ondersteuning te geven en leert zo omgaan met andere vaardigheden. De kinderen mogen ook zelf kiezen wat ze gaan doen omdat ze al de heledag om school zitten kunnen ze dan om de bso doen wat ze leuk vinden dat gebeurt dus na schooltijd tot de ouders de kinderen weer komen halen. Ook gaat de bso gewoon door in de vakantie's de leidsters verzinnen dan een thema zodat ze de kinderen daar mee kunnen vermaken en elke keer wat anders kunnen doen. zo hebben ze de thema's carnaval, sinterklaas, een bios middag, ziekenhuis en nog veel meer. Ze doen dit zodat elke dag weer anders is voor de kinderen en ze zich vermaken. Kinderen hebben veel vrijheid op de bso en naar mijn idee hebben ze het daar ook heel goed en fijn.
Ze had veel informatie en ook veel foto's wat ik heel leuk vond zo kun je ook een beter beeld krijgen bij wat er verteld wordt. Zo vertelde ze dat de kinderen heel erg zelfstandig zijn zo hoef je op de BSO geen luier te verschonen, je hebt minder verzorging, het meubilair is hoger, De kinderen kunnen zelf hun brood smeren. De kinderen kunnen dus al heel veel zelf daarom ben je ook meer bezig met de kinderen sturen en ze te stimuleren. Je geeft ze ondersteuning te geven en leert zo omgaan met andere vaardigheden. De kinderen mogen ook zelf kiezen wat ze gaan doen omdat ze al de heledag om school zitten kunnen ze dan om de bso doen wat ze leuk vinden dat gebeurt dus na schooltijd tot de ouders de kinderen weer komen halen. Ook gaat de bso gewoon door in de vakantie's de leidsters verzinnen dan een thema zodat ze de kinderen daar mee kunnen vermaken en elke keer wat anders kunnen doen. zo hebben ze de thema's carnaval, sinterklaas, een bios middag, ziekenhuis en nog veel meer. Ze doen dit zodat elke dag weer anders is voor de kinderen en ze zich vermaken. Kinderen hebben veel vrijheid op de bso en naar mijn idee hebben ze het daar ook heel goed en fijn.
Abonneren op:
Posts (Atom)